Renaissance
1.
Welke
periode was de renaissance in Nederland?
1577-1618
2.
Waar
en wanneer is de renaissance begonnen? In Noord-Italie, in de 14e
eeuw
3.
De maatschappij
was niet langer theocentrisch, maar antropocentrisch. Wat betekent dit? God
stond niet in het middelpunt, maar de mens
4.
Renaissance
betekent in het Frans wedergeboorte. Wat wordt hiermee bedoeld? De glorievolle
tijden van de oudheid opnieuw tot leven wekken
5.
Wat
hebben ontdekkingsreizen en wetenschappelijke nieuwsgierigheid met de
renaissance te maken?
6.
De
positie van de schrijver was in de middeleeuwen anders dan in de renaissance.
Leg dit uit. Zijn naam stond trots op het titelblad
7.
Wat
betekent ‘ poeta laureatus’? gelauwerde
dichter
8.
Wat
betekent classicisme? Het imiteren of navolgen van de grote schrijvers uit de
klassieke oudheid
9.
Welke
Griek en Romein werden vooral door schrijvers bestudeerd? Griek Aristoteles en
Romein Horatius
10.
Welke
twee genres namen de schrijvers over? Heldengedicht en treurspel
11.
Op
welke drie manieren deden ze dat? Door een zo mooi mogelijke vertaling te
maken. Door een nabootsing en zo proberen oude meesters te evenaren en door een
poging hen te overtreffen.
12.
Voor welk publiek werd de tragedie vooral
opgevoerd? Elitair publiek
13.
In
welke vorm deden ze dit? In dichtvorm
14.
Aan
welke regels moest de tragedie voldoen? Geschreven in dichtvorm. Bestaan uit de
vijf bedrijven (expositie, intirge, climax, peripetie). Tussen de bedrijven
moest een rei of koor gezongen of gesproken worden.
15.
Noem
enkele grote tragedieschrijvers. Shakespeare en Corneille.
16.
Wat
is het verschil tussen een komedie en een klucht? Dwe klucht bevatte geen
boodschap
17.
Noem
enkele bekende komedieschrijvers. Bredero, Moliere
18.
Wat
is een epos? Verhalend gedicht van enige omvang en vrij verheven van toon
waarin het leven wordt beschreven aan de held
19.
Homerus
is de bekendste Griekse eposschrijver. Hij schreef Illias en Odyssee.
Waarover gaan deze verhalen? In de Ilias gaat het over de strijd
om Troje en in de Odyssee worden de omzwervingen van Odyssee gedurende zijn
terugreis naar huis.
20.
Wat
zijn de kenmerken van een sonnet? Gedicht van veertien regels met daarin een
inhoudelijke wending
21.
Wat
houdt de stroming ‘petrarkisme’ in? Niet klassiek
22.
Wat
is de overeenkomst tussen het hoofse minnelied en het petrarkisme? Omdat het
thema de onbereikbaarheid van de vrouw is
23.
Emblematiek
is een ‘plaatje met een praatje’, wat wordt hier mee bedoeld? Het plaatje was
een wijze les in dichtvorm of proza
24.
Wie
waren belangrijke emblematakunstenaars in Nederland? Hooft en Cats
25.
Waar
was proza de taal van? Van de filosofie
26.
Bekende
namen van de renaissance zijn: Cats, Hooft, Van den Vondel en Bredero. Waaruit
bestond hun belangrijkste werk? Hooft: warenar en Auluaria. Vondell: Joseph in
Dothan en Lucifer en Gijsbrecht van Aemstel. Bredero: Spaanchen Brabander
Jeromilo
Geen opmerkingen:
Een reactie posten