donderdag 14 juni 2012


Renaissance


1.      Welke periode was de renaissance in Nederland?

1577-1618

2.      Waar en wanneer is de renaissance begonnen? In Noord-Italie, in de 14e eeuw

3.      De maatschappij was niet langer theocentrisch, maar antropocentrisch. Wat betekent dit? God stond niet in het middelpunt, maar de mens

4.      Renaissance betekent in het Frans wedergeboorte. Wat wordt hiermee bedoeld? De glorievolle tijden van de oudheid opnieuw tot leven wekken

5.      Wat hebben ontdekkingsreizen en wetenschappelijke nieuwsgierigheid met de renaissance te maken?

6.      De positie van de schrijver was in de middeleeuwen anders dan in de renaissance. Leg dit uit. Zijn naam stond trots op het titelblad

7.      Wat betekent  ‘ poeta laureatus’? gelauwerde dichter

8.      Wat betekent classicisme? Het imiteren of navolgen van de grote schrijvers uit de klassieke oudheid

9.      Welke Griek en Romein werden vooral door schrijvers bestudeerd? Griek Aristoteles en Romein Horatius

10.   Welke twee genres namen de schrijvers over? Heldengedicht en treurspel

11.   Op welke drie manieren deden ze dat? Door een zo mooi mogelijke vertaling te maken. Door een nabootsing en zo proberen oude meesters te evenaren en door een poging hen te overtreffen.

12.    Voor welk publiek werd de tragedie vooral opgevoerd? Elitair publiek

13.   In welke vorm deden ze dit? In dichtvorm

14.   Aan welke regels moest de tragedie voldoen? Geschreven in dichtvorm. Bestaan uit de vijf bedrijven (expositie, intirge, climax, peripetie). Tussen de bedrijven moest een rei of koor gezongen of gesproken worden.

15.   Noem enkele grote tragedieschrijvers. Shakespeare en Corneille.

16.   Wat is het verschil tussen een komedie en een klucht? Dwe klucht bevatte geen boodschap

17.   Noem enkele bekende komedieschrijvers. Bredero, Moliere

18.   Wat is een epos? Verhalend gedicht van enige omvang en vrij verheven van toon waarin het leven wordt beschreven aan de held

19.   Homerus is de bekendste Griekse eposschrijver. Hij schreef Illias en Odyssee.

Waarover gaan deze verhalen? In de Ilias gaat het over de strijd om Troje en in de Odyssee worden de omzwervingen van Odyssee gedurende zijn terugreis naar huis.

20.   Wat zijn de kenmerken van een sonnet? Gedicht van veertien regels met daarin een inhoudelijke wending

21.   Wat houdt de stroming ‘petrarkisme’ in? Niet klassiek

22.   Wat is de overeenkomst tussen het hoofse minnelied en het petrarkisme? Omdat het thema de onbereikbaarheid van de vrouw is

23.   Emblematiek is een ‘plaatje met een praatje’, wat wordt hier mee bedoeld? Het plaatje was een wijze les in dichtvorm of proza

24.   Wie waren belangrijke emblematakunstenaars in Nederland? Hooft en Cats

25.   Waar was proza de taal van? Van de filosofie

26.   Bekende namen van de renaissance zijn: Cats, Hooft, Van den Vondel en Bredero. Waaruit bestond hun belangrijkste werk? Hooft: warenar en Auluaria. Vondell: Joseph in Dothan en Lucifer en Gijsbrecht van Aemstel. Bredero: Spaanchen Brabander Jeromilo


Geen opmerkingen:

Een reactie posten